Enkele weken geleden luidde Lando Norris al de noodklok over de gevaren van de enorme snelheidsverschillen die ontstaan door het energiebeheer. Volgens hem is het risico reëel wanneer de batterijniveaus tussen twee auto’s op hetzelfde moment totaal uiteenlopen: “Je kunt zo snelheidsverschillen van 30 tot 50 km/u krijgen. Als je iemand raakt met zo’n kloof, vlieg je simpelweg uit de bocht. Dat is een angstaanjagende gedachte.”
Hoewel de crash van Bearman niet leidde tot een vlucht door de lucht, bevestigde het scenario wel deze zorgen. In een poging de vertraagde bolide van Franco Colapinto te ontwijken, raakte de jonge Brit het gras, verloor de controle en knalde hard in de muur.
Analyses onthulden een impact van 50G, wat betekent dat Oliver Bearman gedurende een fractie van een seconde vijftig keer zijn eigen lichaamsgewicht te verwerken kreeg. Voor de piloot van 68 kg staat de uitgeoefende druk gelijk aan een kolossaal gewicht van 3.400 kg. Ter vergelijking: dit is een kracht die vele malen hoger ligt dan wat een gevechtspiloot in een F-16 ervaart, die doorgaans niet boven de 9G uitkomt.
Dat Bearman er miraculeus van afkomt met ‘slechts’ een gekneusde knie, heeft hij te danken aan de constructie van de moderne bolides en zijn conditie als topsporter. Het herinnert aan het ongeval van Romain Grosjean in 2020, die een impact van 59G overleefde.
Het incident in Suzuka heeft het debat over de gevaren van deze energetische prestatieverschillen onmiddellijk weer doen oplaaien. Franco Colapinto, die ongewild betrokken raakte bij de crash, aarzelde niet om de vinger op de zere plek te leggen wat betreft de nieuwe technische regels: “Deze snelheidsverschillen zijn echt een probleem. Hij reed 50 km/u sneller. Dit is simpelweg levensgevaarlijk.”













