Patrick Lefevere neemt geen blad voor de mond bij een opvallende vaststelling: in deze meimaand hebben de toppers van het peloton bizar weinig wedstrijdkilometers op de teller staan. Hoewel de effectiviteit van deze methode wordt bewezen door de resultaten, zet Lefevere vraagtekens bij de algemene tevredenheid van sponsors en de houdbaarheid van dit model voor de rest van het peloton: «Ik vind het soms frapant. We zijn mei en Pogačar heeft negen koersdagen. Mathieu van der Poel heeft er dertien, Jonas Vingegaard vijftien. Renners van dat kaliber kunnen zich dat natuurlijk veroorloven. Pogačar wint zes van de negen wedstrijden die hij start. Van der Poel zit aan vier zeges op dertien. Het totaal van Vingegaard staat ook al op zes. Natuurlijk is een sponsor dan tevreden.»
Het echte probleem ligt volgens de Belgische manager bij het kopieergedrag van de tweede garnituur. Volgens hem kan niet iedereen het zich permitteren om enorm veel te trainen en zo weinig te koersen: «Het probleem is dat er een overloopeffect is naar de ‘kleinere goden’. Renners van een minder statuur denken dat ze de aanpak van veel trainen en weinig koersen moeten kopiëren. Ik ben daar niet zo zeker van, maar probeer er maar eens tegenin te gaan als het eenmaal in hun hoofd zit. Dat Pogačar en Van der Poel zich beperken tot de grote afspraken, soit. Maar bij veel andere renners denk ik: mag het niet wat meer zijn?»
Lefevere haalt ook fel uit naar het overmatige belang van hoogtestages: «Welke renners koersen nog graag? Ik weet dat hoogtestages werken, maar soms lijken wedstrijden tegenwoordig slechts tussendoortjes tussen twee van die stages door. En ik vraag me af: heeft een sprinter echt een hoogtestage nodig? Zeker geen twee keer per seizoen.»
Om deze wildgroei tegen te gaan, oppert hij een denkpiste: het invoeren van een minimumaantal koersdagen. «Het laatste wat ik wil, is de UCI aanmoedigen om nog meer regeltjes de wereld in te helpen. Maar als team moet je de maximale belasting van een renner respecteren. In mijn tijd mochten renners niet meer dan vijfentachtig koersdagen hebben. Het is misschien geen slecht idee om ook een ondergrens in te voeren.»













