Nadat hij in de Ronde van Vlaanderen zijn meerdere moest erkennen in Pogačar, weigert Van der Poel enige bitterheid te tonen: “Niet met Tadej meerijden had geen verschil gemaakt voor de uitslag.” De Nederlander is van mening dat een eerlijke samenwerking beter is voor de toekomst: “We gaan elkaar nog vaak tegenkomen, dus we kunnen het maar beter goed met elkaar vinden.” Gevraagd naar de kansen van zijn rivaal op de vlakke kasseien, toont Van der Poel zich uiterst voorzichtig: “Roubaix is moeilijker te winnen voor Tadej, maar niemand durft meer te zeggen dat hij iets niet kan. Vorig jaar heeft hij in elk geval laten zien dat hij hier zeker kan winnen.”
Om de Sloveen te counteren, rekent de kopman van Alpecin-Deceuninck op de collectieve sterkte van zijn ploeg, met name met Jasper Philipsen: “In Roubaix hebben we het ideale scenario omdat Jasper ook een sprint achter de hand heeft. We moeten vooral een situatie vermijden waarin we in de achtervolging moeten.”
Van der Poel is “realistisch genoeg om te beseffen dat ik deze reeks [overwinningen in Roubaix] niet eeuwig kan volhouden”, maar gokt op zijn techniek om het risico op lekke banden te beperken. Volgens hem is succes in de Hel van het Noorden niet alleen een kwestie van geluk: “Maar dat heb je ook deels zelf in de hand door een goede lijn te rijden op de kasseien.” Het recept voor succes is volgens hem “een mix van kracht en goed kunnen sturen.”
Wat betreft de ideale strategie om de onverzadigbare Pogačar te verslaan, houdt de wereldkampioen alle opties open: “Elk scenario is goed voor mij. Het zal uiteraard lastig zijn om hem te lossen, maar andersom ook.” Bij gebrek aan hellingen om natuurlijke verschillen te creëren, hoopt hij vooral op een koers zonder mechanische pech: “Laten we vooral hopen dat niemand pech heeft, zeker in een wedstrijd als Roubaix.”
En wanneer hem gevraagd wordt naar zijn favoriete kasseistrook, besluit hij met een vleugje humor: “De laatste, want dan weet je dat het voorbij is.”













