Voor Patrick Lefevere heeft Tadej Pogacar een atletisch niveau bereikt dat zijn tegenstanders sprakeloos laat. Hij baseert zich op de data van de Ronde van Vlaanderen en onderstreept de machteloosheid van de concurrentie: “Mathieu van der Poel zei dat hij 60 tot 70 watt meer trapte dan gewoonlijk en dat Pogacar hem desondanks wist te lossen.”
Die fysieke dominantie is volgens hem het resultaat van de evolutie in het wielrennen, al nuanceert hij de vergelijking met de legendes uit de jaren 70. Waar Eddy Merckx met zijn 74 kilogram een lichaam had dat meer geschikt was voor de kasseien, compenseert Pogacar dat met een wetenschappelijke aanpak: “Ik ga niet zeggen dat de huidige generatie beter is, maar hun benadering van de sport is professioneler.”
Een van de sleutels tot het duel ligt in de verstandhouding tussen de twee kampioenen, die soms op kritiek kan rekenen. Lefevere neemt het op voor Van der Poel en weigert te geloven in een puur berekenende tactiek. Voor hem koerst de Nederlander op instinct en eergevoel: “Een echte volbloed spaart zich niet, dat is een kwestie van eer. Je kunt niet in het wiel van de beste zitten en hem kloppen in de sprint zonder zelf een overname te hebben gedaan.”
Toch waarschuwt hij dat deze tactische wittebroodsweken op de stroken van Parijs-Roubaix wel eens voorbij kunnen zijn. In de Hel moet Pogacar rekening houden met een ander soort weerstand: “Ik denk dat hij het anders moet aanpakken. Hij zal namelijk niet systematisch kunnen rekenen op de medewerking van zijn grootste rivaal, Mathieu van der Poel, zoals in Vlaanderen.”
Ondanks het machtsoverwicht van de Sloveen, meent Lefevere dat Van der Poel over troeven beschikt, mede dankzij de sterkte van zijn Alpecin-ploeg. Maar mocht het tot een sprint met een groepje komen, dan zal baanervaring niet de doorslag geven: “Het is misschien beter om het uit te vechten op de velodroom. Noch Mathieu, noch Tadej hebben specifieke ervaring op de piste. Na zo’n zware koers is het de frisheid die telt.”













