De Franse nationale ploeg is samengekomen in Clairefontaine, op twee weken van de aftrap van het WK. Het was voor Didier Deschamps de gelegenheid om de pers te woord te staan in de aanloop naar zijn allerlaatste toernooi als bondscoach, na een ambtstermijn van veertien jaar aan het roer van de « Bleus ».
Als wereldkampioen van 2018 en finalist van 2022 geldt Frankrijk ook voor deze editie van 2026 weer als een van de absolute topfavorieten, met een spelersmateriaal waar elke bondscoach van droomt. Maar als het aan Didier Deschamps ligt, is waakzaamheid voor overmoed geboden.
« Dit is een groots evenement. Men ziet ons al op 19 juli (de dag van de finale) staan, en dat bevalt me niet zo — eigenlijk helemaal niet. We hebben eerst nog drie tegenstanders in de groepsfase. Dat we tot de beste teams behoren, ja, maar ik weet maar al te goed dat er nog belangrijke hordes genomen moeten worden voor we aan de absolute top kunnen denken. We gaan er alles aan doen om op de afspraak te zijn », aldus de 57-jarige oefenmeester.
Desondanks wil de voormalige middenvelder, die ook als speler al wereldkampioen werd, zich niet verstoppen. Hij weet dat hij over een competitieve kern beschikt en dat er op de « Bleus » gejaagd zal worden. Toch weigert hij de stempel van unieke topfavoriet te aanvaarden : « Ik zie dat andere bondscoaches beweren dat Frankrijk over twee volwaardige teams beschikt… Ik wil niet ontkennen dat we bij de favorieten horen. Maar zijn we beter dan andere landen ? Er zijn zeven à acht teams met diezelfde ambitie, en slechts één zal erin slagen. Dat is weglopen van de feiten, ambitie is essentieel. Maar er is één belangrijk woord : nederigheid. Op papier staat er van alles, maar in het voetbal hoef je maar een procentje minder te geven om het cash te betalen. Onze tegenstanders hebben veel kwaliteit. Onze groep ook. Ik wil Irak absoluut niet onderschatten, en Senegal en Noorwegen zijn zeer sterke voetballanden. »













